Elk apparaat dat met een netwerk of het internet communiceert, heeft een IP-adres nodig. IP staat voor Internet Protocol: de set afspraken die bepaalt hoe gegevens in pakketjes over netwerken worden verstuurd. Het IP-adres werkt als een afzender- en bezorgadres. Zonder adres weet een server niet waar hij de webpagina die je opvraagt naartoe moet sturen.
IPv4 en IPv6
Er bestaan twee versies van IP-adressen naast elkaar. IPv4 is de oudste en bestaat uit vier getallen tussen 0 en 255, gescheiden door punten, bijvoorbeeld 192.168.1.10. Daarmee zijn ongeveer 4,3 miljard unieke adressen mogelijk, en dat bleek te weinig voor alle apparaten ter wereld. Daarom is IPv6 ontwikkeld. Een IPv6-adres is veel langer, geschreven in hexadecimale tekens met dubbele punten, en biedt een vrijwel onbeperkt aantal adressen. Veel netwerken gebruiken beide versies tegelijk.
Publiek en privé
Thuis heb je met twee soorten adressen te maken:
- Het publieke IP-adres krijg je van je internetprovider. Daarmee is je hele thuisnetwerk zichtbaar op het internet.
- Privé-IP-adressen deelt je router uit aan de apparaten in huis. Die adressen, zoals de reeks die begint met
192.168., worden alleen binnen je eigen netwerk gebruikt.
De router vertaalt tussen die twee met een techniek die NAT heet. Zo kunnen tientallen apparaten samen één publiek adres delen. Meer over die rol van de router lees je bij router en modem.
Vast of wisselend
Een IP-adres kan dynamisch zijn, wat betekent dat het af en toe verandert, of statisch, wat betekent dat het vast blijft. In een thuisnetwerk krijgen apparaten hun adres meestal automatisch via DHCP. Voor een printer of een zelfgebouwde server kan het handig zijn om een vast adres in te stellen, zodat je dat apparaat altijd op dezelfde plek terugvindt.
Namen in plaats van nummers
Websites bezoek je natuurlijk niet door een IP-adres in te typen. Je gebruikt een naam, en die wordt via DNS omgezet naar het juiste adres. IP-adressen en DNS werken dus altijd samen.