Ethernet is de techniek achter bekabelde netwerken. Sluit je je computer met een netwerkkabel aan op je router, dan gebruik je ethernet. Het bestaat al tientallen jaren en wordt nog steeds overal gebruikt: thuis, op kantoor en in datacenters. Waar wifi draait om gemak, draait ethernet om stabiliteit.
Hoe ethernet werkt
Bij ethernet gaan de gegevens als elektrische signalen door koperdraden in de kabel. Die gegevens worden verpakt in kleine pakketjes, frames genoemd, met daarin onder meer het hardwareadres van de afzender en de ontvanger. Dat hardwareadres heet het MAC-adres en is gekoppeld aan de netwerkaansluiting van je apparaat. Een router of switch kijkt naar die adressen om te bepalen waar een pakketje naartoe moet.
De meeste computers hebben een ethernetpoort met een RJ45-aansluiting: de iets bredere stekker met een klemmetje. Dunne laptops hebben die poort soms niet meer; dan kun je een adapter via USB gebruiken.
Kabels en snelheden
Netwerkkabels zijn er in verschillende categorieën, afgekort als Cat. Hoe hoger de categorie, hoe hoger de snelheid en de bescherming tegen storing die de kabel aankan. Voor de meeste thuisnetwerken is een kabel van categorie 5e of 6 ruim voldoende voor gigabitsnelheden. De snelheid die je haalt, wordt bepaald door de zwakste schakel: de kabel, de netwerkpoort van je computer, de switch en de router moeten allemaal de gewenste snelheid ondersteunen.
Waarom kiezen voor een kabel?
Een bekabelde verbinding heeft een paar duidelijke voordelen:
- Stabiliteit: geen last van muren, afstand of storing van buren.
- Lage vertraging: handig bij videobellen en online games.
- Voorspelbare snelheid: je deelt de verbinding niet met andere draadloze apparaten.
Het nadeel is natuurlijk dat je een kabel moet trekken. Heeft je router te weinig poorten, dan breid je die uit met een switch. Wat een switch precies doet en hoe die verschilt van een router, lees je bij router en modem.